BEPALING CHLORIDEGRADIËNT

De bepaling van het percentage ingemengde of ingedrongen chloride wordt aan de hand van geboorde cilinders c.q. boorstofmonsters in het laboratorium verricht.

Bij het gebruik van geboorde kernen voor het bepalen van de chlorideconcentratie en het chlorideprofiel dienen deze in eerste instantie met behulp van een diamantafkortzaag in schijven van bijvoorbeeld 20 mm te worden verdeeld. Vervolgens dienen de schijven mechanisch verbrijzeld te worden tot ongeveer de korrelfractie van boormeel.

Bij gebruik van boorstofmonsters kunnen de monsters op verschillende diepten geboord worden, bijvoorbeeld zones van 0-20, 20-40 en 40-60 mm, zodat ook op deze wijze het chlorideprofiel bepaald kan worden. Het is hierbij noodzaak om bij de opeenvolgende dieptes telkens een smallere boordiameter toe te passen en na verzameling van ieder stofmonster het boorgat goed te reinigen. Aldus wordt vermenging van boorstof tussen de verschillende dieptes tot een minimum beperkt.

Met behulp van de R.C.T.-methode van Germann Petersen kan vervolgens van een monster van minimaal 20 gram het chloridegehalte ten opzichte van het betongewicht (in massa%) worden bepaald, op een voldoende nauwkeurige wijze. Bij deze methode worden er met behulp van een chloridegevoelige elektrode millivolts (potentiaalverschillen) gemeten, waarna er een omzetting plaatsvindt naar chloridepercentages met behulp van een ijkgrafiek.

De grenswaarde waarbij het maximaal toegestane percentage chloride voor nieuwbouw wordt overschreden ligt op 0,4 massa% ten opzichte van het cementgewicht, hetgeen overeenkomt met circa 0,07 massa% ten opzichte van het betongewicht (afhankelijk van het cementgehalte).

Genoemde metingen kunnen ook chemisch worden verricht door middel van titraties, waarbij de chloride wordt vrijgemaakt met behulp van salpeterzuur. Dergelijke metingen zijn aanzienlijk nauwkeuriger, maar tijdrovend en vereisen een goed geoutilleerd laboratorium. Bepalingen van het chloridegehalte worden in Nederland doorgaans uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in BSW-rapport 96-01 van Rijkswaterstaat.